nl
en

Zaal I, II, III en Toren / 2018 / Phantom Limb. Art beyond Escher / Fries Museum / Leeuwarden

 

Hoe weinig is er nodig om een illusie te wekken? Voor zijn bijdrage aan Phantom Limb. Art beyond Escher in het Fries Museum in Leeuwarden waagde Michiel Kluiters het om met schijnbaar minimale beeldmiddelen een compleet stelsel van ruimten te suggereren.

 

Met de fotowerken Zaal I, II, III en de foto-installatie Toren zet hij de architectuur naar zijn hand. Dat komt omdat deze trompe-l’oeils wandvullend zijn en dus naadloos kunnen aansluiten op de werkelijke architectuur. Vanwege die schaal worden de beelden op de foto heel aannemelijk en ogen ze als herhaalde onderdelen uit de bestaande ruimten. Het maakt ze tot méér dan vrijblijvende suggesties: ze ontregelen je oriëntatie in het museum en vormen met de bestaande architectuur één totaalsculptuur. Kluiters: “Ik maak openingen die er niet zijn en laat wanden doorlopen waar ze normaal stoppen. Ik deconstrueer de bestaande architectuur.”

 

Een eigentijdse verwijzing naar de beroemde torens van Escher is het werk Toren op de liftschacht. De liftkoker staat als losstaand architectonisch element in de open, glazen entreeruimte van het museum en is slechts via de trappen en galerijen met de rest van het gebouw verbonden. Al in de entreehal op weg naar de lift word je verrast. De liftdeuren zijn omgeven door een lichte, okerkleurige ruimte die je zó binnen zou kunnen stappen. En op elke etage lijk je in die okerkleurige ruimte te kunnen verdwijnen: Kluiters keerde de liftschacht binnenstebuiten en laat je niet de veilige buitenkant maar juist het bínnenste van de toren ervaren.

 

Er is schijnbaar weinig nodig voor een illusie. De suggestie van bedrieglijk eenvoudige architectuur is al genoeg. Zozeer zelfs dat je er ook ongemerkt aan voorbij zou kunnen lopen, ware het niet dat drie van de vier werken zich op in- of uitgangen bevinden. Je moet er dus wel doorheen. Zoals op de derde etage, waar het spel van illusoire ruimten verder gaat bij het werk Zaal I. Achter de entreedeuren naar Phantom Limb zie je een gang die links en rechts toegang biedt tot witte museumzalen. Er is niemand. De rust, de witte en grijze kleuren, de lichtval: alles sluit naadloos aan bij de sfeer van de werkelijke zalen in het museum. Maar bij het openen van de deuren is de wereld toch niet zoals die lijkt.

 

Ook de twee werken Zaal II en Zaal III in de centrale museumzaal van de tentoonstelling ontregelen je oriëntatie in het museum. De eerste ‘interventie’ die je op je route tegen komt is de suggestie van een muur die vlák achter de werkelijke muur staat. Alsof die muur over de werkelijke muur heen getrokken is. Het effect ervan is dat je niet zozeer ín de ruimte kijkt maar er meteen onderdeel van bent, omdat de muur in het beeld zich zo aan je opdringt. Het laatste fotowerk tref je op weg naar de uitgang. Net als bij de ingang wordt je een gang met museumzalen voorgespiegeld die zich achter de deur bevindt. En ook dit werk lijkt op onderdelen een herhaling van de werkelijke ruimte, maar als geheel biedt het geen enkele houvast. Waar is dit? Verwijst het ergens naar? En is het nu een foto of een schilderij?

 

Het gebruik van schaalmodellen om illusies van architectuur te creëren is een terugkerend element in zijn werk. De modellen die hij daarvoor bouwt en van binnenuit fotografeert, bracht hij deze keer terug tot architectuur in zijn meest archaïsche vorm: wanddelen met openingen. Vrijwel niets lijkt te zijn afgewerkt. Die grofheid heeft echter een onverwacht effect. Want ondanks of juist daardoor werkt de illusie sterk. Door de schilderachtigheid van de modellen, die sterk vergroot in beeld zijn gebracht, wordt het oppervlak en elke oneffenheid daarin voelbaar. Schaal en textuur dragen bij aan het totaal van suggesties. Zoals ook de archaïsche vormentaal, het verborgen raffinement van camerastandpunten, de kadrering, de belichting en de coulissewerking dat doen. Het zijn klassieke beeldelementen waar onze hersens als het ware al door geprogrammeerd zijn. De fotobeelden zijn daardoor zo herkenbaar en vanzelfsprekend dat ze bijna niet meer opvallen. Dat is het duale karakter van dit werk: je ziet het niet of je ziet het wel en dan word je erin meegezogen. Zo wordt de kijker rondgespeeld in een spel van herkenbaarheid en verwachting.

 

(Photo's: Michiel Kluiters en Ruben van Vliet)